Roland Van Wulpen - Twee decennia aan redderservaring
Project: In zee met jobstudenten
“Ik ben strandredder geweest en daar ben ik mee begonnen in 1970, als 17-jarige,” vertelt Roland Van Wulpen met de vanzelfsprekendheid van iemand die het nooit anders heeft gekend. “Dat was telkens twee volle maanden, de twee zomermaanden, in der tijd zes dagen op zeven.” Zijn carrière liep door tot 1989, met slechts één onderbreking: “In 1975 en juli 1976 niet, omdat ik toen mijn legerdienst gedaan heb.”
Waarom hij strandredder werd? Dat was voor hem logisch. “Als kustmens, dat zit ingebakken om in de zomervakantie een zomerjob te doen. Binnenlanders hebben dat zo niet.” Hij koos voor iets wat én goed verdiende én hem aansprak. “Ik deed niet liever of rond die redders gaan draaien, en dan mocht ik een keer mee met de roeiboot… daar is ergens misschien het zaadje wel geplant geweest.”
De opleiding destijds was eerder beperkt. “Wij hadden zwemopleiding, reddersopleiding, EHBO, kunstmatige ademhaling, dergelijke… maar eigenlijk niet zo veel als nu.” Alles gebeurde in het zwembad, “hier in Oostende in het Thermae Palace.” Geen zeezwemproeven dus.

© Beatrijs Bonnez
Het werk was gestructureerd en veranderde met de tijd. “De beginjaren werkten wij in twee shiften,” legt hij uit. Later werd dat anders: “Tien uur tot achttien uur dertig, vermoedelijk toen het zomeruur werd ingevoerd.” Maar dat zorgde voor problemen: “Om achttien uur dertig stopt de dienst… maar als dat zo'n prachtige dagen zijn zoals nu, ja, die mensen… krijg ze maar uit het water.”
De uitrusting? Eenvoudig, maar degelijk. “We hadden een t-shirt en een goeie trui. Die truien waren van Engelse wol… daar stond dan geborduurd op, in rode letters, ofwel ‘redder’ ofwel de naam van de gemeente: Blankenberge.” En dan was er nog die fameuze reddingsvest: “Op zeildoek, met kurken. Dat was een ontwerp van een inspecteur van de Engelse reddingsdiensten.” Niet bepaald comfortabel, maar effectief: “Als je in het water drijft, dan drijf je achterover half op de rug. Dat is ook veiliger.”
Roland begon op de boot en kreeg zijn opleiding van een ervaren bootsman. “Hij was echt mijn mentor. Hij heeft mij alles bijgebracht.” Die mentor gaf hem de knepen van het vak: “Na x aantal jaar kon ik mijn naam schrijven met een boot in het water.” Later gaf hij die kennis weer door. “Dan was ik zelf bootsman… en dan kreeg je dan ook een jonge kerel mee. En dan was dat op dezelfde manier: een keer iets bijleren.”
De sfeer onder collega’s was bijzonder. “Dat hing heel goed aan elkaar,” zegt hij. “En op het einde van augustus: de ‘fin de saison’. Dat was ook dan met heel die bende een serieus evenement.” Eerst een kroegentocht, later een souper: “Met een koud buffet ofzo… en dan werden een keer liedjes gezongen of werden een keer kluchten uitgehaald met de een of de andere.”

Roland als redder aan het werk op het strand van Blankenberge, 1980-1989, geen rechten bekend.
Nieuwe collega’s konden rekenen op een ludiek welkom. “Zo’n bleutje werd in de luren gelegd. De chef stond dan op de mirador en gaf een vals noodsignaal. En dan liep die jonge gast rap dat water in… en die zag natuurlijk niks.” Eén keer kon het, niet meer: “Als je dat doet en nog een keer… en het is weer niks. Op een uur geloven ze het niet meer. En als het dan echt is, dan heb je pannen.”
Er waren ook minder glorieuze momenten. Toen het stadsbestuur vond dat de redders te veel kaarten tijdens regenachtige dagen, werden ze op pad gestuurd om vuilnis op te rapen of – erger nog – hondendrollen op de zeedijk te scheppen. “Belachelijk,” zegt Roland. “Maar we hebben het opgelost. We gingen met vier: één met een toeter, één met de vlag, één met een reddingsboei, en de vierde met een schop. Die drol werd ceremonieel verwijderd. Het heeft niet lang geduurd voor dat afgeschaft werd.”
Natuurlijk gebeurden er ook reddingen, soms op het nippertje. Zo vertelt Roland hoe hij twee jonge jongens uit een ‘kelle’ haalde – een diepe geul naast een golfbreker. “Ik sprong in het water en had zelf geen grond meer onder mijn voeten. Maar ik kon hen vastpakken en naar het strand brengen. Behalve wat gehoest was er gelukkig niets aan de hand. En de ouders? Die gaven niet eens een ‘merci’. Zelfs geen bedankje.”
Toch is Roland trots op het feit dat er tijdens zijn jaren als redder in de bewaakte zones van Blankenberge geen enkele verdrinking is geweest. Soms was het frustrerend wanneer mensen hun eigen zin deden – vooral toeristen die dachten dat de zee ‘van iedereen’ was. “La mer est à tout le monde, riepen ze dan.” Tot ze zichzelf openhaalden aan de schelpen op de golfbrekers. Dan stuurde Roland ze met hun bloedende benen naar de EHBO-post, achthonderd meter verderop. Dan leerden ze het wel.
En dan was er die ene keer dat de burgemeester zelf op een motorboot voorbijvoer, omringd door dames in monokini, ondanks het verbod. “En vanaf nu gaan we geen enkele dame die in monokini ligt of loopt nog aanspreken. Dat doen we niet meer.” Humor, zelfrelativering, verantwoordelijkheidszin en een grote liefde voor zee en strand – dat is Roland Van Wulpen. Een redder van de oude stempel, en eentje met een verhaal waar je uren naar wil luisteren.